© by Elke Pilz

Terug naar entrée

© by Elke Pilz

De Stem
Hier als PDF en hier een klein alfabetisch allerlei tot zang

Fysiologie van de stem
Het ademhalingsapparaat
Het stemapparaat
Houding, ademhaling en klankvorming
Uitspraak
Lijst Figuren
Bron: Universitair Koor Antwerpen

Zingen is een manier om uiting te geven aan een scala van persoonlijke gevoelens en stemmingen en alleen al daardoor zijn de klank en de mogelijkheden van de stem zeer persoonsgebonden. Deze inleiding tot zang is dan ook bedoeld om de stem zo goed mogelijk te gebruiken. Wie beter en mooier wil zingen heeft een professionele waarnemer nodig, een zangpedagoog.

Fysiologie van de stem

Het zingen is een ingewikkeld psycho-fysisch proces. Men heeft kennis tot deze proces nodig om de verschillende technische en artistieke opgaven zo goed mogelijk uit te voeren en om het stemorgaan zelf voor beschadiging te behoeden.

Het ademhalingsapparaat

De uitwisseling van zuurstof en van koolzuur tussen de omgeving en het menselijk lichaam gebeurt in de longen. Ze nemen het grootste volume in van de borstholte (thorax). Vanaf het strottenhoofd vertrekt een luchtpijp (trachea) die zich splitst in rechter en linker bronchus, dewelke op hun beurt splitsen om te eindigen in de longblaasjes (alveoli). De luchtpijp is 10-15 cm lang en tot 3 cm breed en bestaat uit 16-18 hoefijzervormige kraakbeentjes die door bindweefsel met mekaar verbonden zijn. Van binnen is hij bekleed met rijk doorbloed slijmvlies, dat zorgt voor verwarming, bevochtiging en reiniging van de ingeademde lucht. De normale ademhaling voltrekt zich automatisch en onbewust. In tegenstelling met de gangbare opvattingen zijn het echter niet de longen die de in- en uitademing bewerkstelligen. Ze reageren passief op de bewegingen van tal van ademhalingsspieren. Naargelang er in de longen onderdruk of bovendruk ontstaat door het verruimen of vernauwen van de borstholte, wordt er in- of uitgeademd. De totale hoeveelheid lucht die bij een diepe ademhaling verplaatst kan worden, noemt men de vitale capaciteit. Deze bedraagt ongeveer 3,5-4 L voor mannen en 3-3,5 L voor vrouwen. Gedurende een gewone ademhaling in rust wordt bij een volwassene gemiddeld slechts 0,3-0,5 L lucht verplaatst.

wpe6B.jpg (38779 bytes)
Figuur 1 Ademhalingsapparaat


ademhalingssysteem.gif
Figuur 2 Schema ademhalingsapparaat NL

De longen zijn omsloten door de borstkas (thorax). Deze wordt gevormd door de wervelkolom, het borstbeen (sternum) en 12 paar ribben, waarvan de 11e en de 12e, de zogenaamde zwevende ribben, het meest actief deelnemen aan het ademhalingsproces. Het middenrif (diafragma) is de spier die de buikholte van de borstholte scheidt. Ze dient ter ondersteuning van de klank en is de belangrijkste ademhalingsspier. Het is een dunne spierplaat, die in rusttoestand een koepel vormt. Tijdens de inademing vlakt ze af. Daarnaast zijn ook de tussenribspieren en de buikspieren betrokken bij de ademhaling, maar zijn eerder passief bij normaal ademhalen.
Er bestaan 3 basistypes van ademhaling, naargelang de aangewende spierarbeid. Bij de schouderademhaling worden de sleutelbeenderen en de bovenste ribben opgetrokken, waardoor zich slechts de longtoppen met lucht vullen. Het grootste gedeelte van de longen blijft onbenut. Ze is dus niet doeltreffend en wordt normaal niet gebruikt, omdat ze te veel energie verbruikt in vergelijking met de opbrengst en omdat ze het strottenhoofd nadelig beïnvloedt. De borstademhaling doet zich voor wanneer men de ribben in verticale richting optrekt en tegelijk buitenwaarts uitzet door de werking van de buitenste tussenribspieren. Het ademvolume is tamelijk groot. Door het feit dat het middenrif verbonden is met de onderste ribben en het borstbeen zal dit eveneens meewerken, doch eerder passief. Bij de buikademhaling trekt het middenrif samen en vlakt dus af. Daardoor wordt een deel van de buikorganen opzijgedrukt en zet de buikwand uit. De borstholte verruimt zich alleen in de lengterichting. De volledigste en voor het zingen doeltreffendste ademhaling is de combinatie van borst- en buikademhaling of costo-abdominale ademhaling. De borstholte verruimt zich maximaal door het optrekken en uitzetten der ribben en het afvlakken van het middenrif. Wanneer men de handen in de zij legt met de duimen tegen de onderste ribben en loodrecht op de wervelkolom, zal men voelen dat eveneens de flanken uitzetten. Het is een onderdeel dat van grote betekenis is voor de praktijk van het zingen. Met het licht aanspannen van buik- en rugspieren zijn we in staat om de uitgezette ribben, bij de inademing verkregen, tijdens de ademstroom gedoseerd te ontspannen, zodat de klank langduriger op gang kan blijven. Het verschil tussen de onbewuste (passieve) ademhaling en de zangademhaling (actief) is dat er behalve de fases van in- en uitademing nog een 3e moment bestaat, namelijk het vasthouden van lucht na de inademing. Het is tijdens deze fase dat het stemorgaan de voor het vormen van de klank vereiste stand aanneemt.

wpe6F.jpg (23648 bytes)
Figuur 3 Zijaanzichten ademhaling (a) rust, (b) inademing, (c) uitademing

3.jpg
Figuur 4 Schema ademhaling

Het stemapparaat

De hoofdelementen van het menselijk stemapparaat zijn:

  • Het ademhalingsmechanisme als aandrijvende kracht
  • Het strottenhoofd met de stembanden als bron van periodieke trillingen
  • De resonantieruimten en de resonatoren als klankversterkers en scheppers van het timbre
  • De spraakwerktuigen als middelen tot vocalisatie en articulatie

De complexe samenwerking van lichaamsfuncties die aan de basis van het zingen liggen, wordt in hoge mate mentaal gedirigeerd, d.w.z. vanuit het voorstellingsvermogen. De inzichten in de fysiologische processen laten zich blijkbaar slechts ten dele rechtstreeks omzetten in de praktijk. Creatieve imaginatie kan de tekorten van de verstandelijke impulsen aanvullen. Ziedaar de reden waarom zangpedagogen vaak hun toevlucht nemen tot een irreëel schijnende beeldentaal. Technisch gezien ontstaat de klankvorming door het aandrukken van de uitgeademde lucht ("de op het middenrif rustende luchtkolom") tegen de gesloten stembanden in het strottenhoofd (larynx, adamsappel). Deze openen zich en sluiten onmiddellijk opnieuw, op grond van hun elasticiteit. Dit verschijnsel herhaalt zich met een periodiciteit die afhankelijk is van de lengte der stembanden, evenals van hun langs- en dwarsspanning. Ze hebben een lengte van 14-19 mm bij vrouwen en 18-25 mm bij mannen. De afstand tussen de stembanden heet de glottis (stemspleet). Terwijl de lengte een stabiele factor is, die de stemligging vastlegt, bepalen de variabele langs- en dwarsspanning de registerwerking en de toonhoogte. Ook de klankkleur en de draagkracht van de stem resulteren gedeeltelijk uit de aard van de stembandspanning.


219493_276_1228293646219-113250_276_1087821452583-Strottenhoofd.jpg
Figuur 5 Strottenhoofd en stembanden
wpe6E.jpg (23358 bytes)
Figuur 6 Strottenhoofd

src='file:///C:\DOCUME~1\pbnewton\LOCALS~1\Temp\msohtml1\01\clip_image001.png'
Figuur 7 Strottenhoofd en stembanden
src='file:///C:\DOCUME~1\pbnewton\LOCALS~1\Temp\msohtml1\01\clip_image003.wmz'
Figuur 8 De stembanden
a Strottenklepje (epiglottis), b Valse stembanden,  c Ware stembanden, d Keelholte, e Luchtpijp, f Slokdarm.
stem3 copy.jpg
Figuur 9 De stembanden (open en dicht)

In het bovenste deel van het strottenhoofd bevindt zich het strotteklepje (epiglottis), een kraakbeenplaatje dat door middel van zijn elastische eigenschappen de luchtwegen van het spijsverteringskanaal kan scheiden. Boven de stembanden bevinden zich de valse stembanden, die geen aandeel hebben in het stemvormingsproces, maar wel de echte stembanden behoeden voor uitdroging bij het uitademen.
Resonantie verkrijgt men door het richten van de stembandtrillingen naar een of meerdere resonantieruimten en resonatoren. Ze trillen mee wanneer hun eigen frequentie gelijk of bijna gelijk is aan die van de klankbron. Hun doelmatig gebruik is van fundamenteel belang om de stemklank te versterken en te kleuren. Hun vorm en ook hun volume is beïnvloedbaar en daardoor kunnen ze inspelen op de frequentie van de stembandactiviteit. Resonantieruimten zijn de luchtpijp, de borstholte en het aanzetstuk. Dit laatste bestaat uit de keelholte (hypopharynx), de mondholte (oropharynx) en de neusholte (nasopharynx).
De mondholte is voor een groot deel bepalend voor de resonans en het timbre. Van belang daarbij is de juiste stand van de tong ten opzichte van het harde en zachte verhemelte die zich aan de bovenzijde bevinden. Het zacht verhemelte eindigt in een beweeglijke huig (uvula), die bij het zingen een belangrijke rol speelt. De neusholte bevindt zich in en achter de neus en omvat ook 3 luchtgangen (conchae) die de vibratie- en resonansmogelijkheden van de neusholte vergroten. Ook de frontale sinussen, gelegen achter de wenkbrauwen, vervullen een belangrijke rol bij de resonans. Potentieel werken alle delen van het beendergestel als harde resonatoren, met name de schedel en het borstbeen, maar ook het harde verhemelte en de tanden.


wpe6C.jpg (43540 bytes)
Figuur 10 Keel-, mond- en neusholte

Men onderscheidt twee hoofdregisters, naargelang de gebruikte stembandfuncties en resonanties: de borststem en de kopstem (falset). Uit de variabele mengeling van beiden resulteert de zogeheten middenstem. Bij het gebruik van de kopstem zijn de kanten van de stembanden scherp en kantig en resoneren de trillingen overwegend in het hoofd. Bij het aanwenden van de borststem zijn de kanten van de stembanden gerond en resoneren de trillingen vooral in de luchtpijp en in de borstholte. Zo wordt de borststem vaak omschreven als sterk, ruw, dof, warm, hard, vol. De kopstem wordt eerder omschreven als slank, scherp, helder, fijn, fluitachtig. Omdat bij falsetzingen slechts de uiteinden van de stembanden vibreren, bestaat er een reëel gevaar voor blijvende beschadiging van de stembanden.
In het aanzetstuk kunnen bepaalde boventonen versterkt of gedempt worden, waardoor de klankkleur verandert. Hierbij speelt de mondholte de belangrijkste rol, omdat haar vorm en volume willekeurig kunnen veranderd worden door het min of meer openen van de mond, door de stand van het gehemelte en de huig, door de plaatsing van de tong en door het inschakelen van de neusholte.
Articulatie van medeklinkers, niet te verwarren met muzikale articulatie (legato, staccato), wordt bewerkstelligd door de spraakwerktuigen: lippen, tong, tanden, gehemelte. Klinkers resulteren uit bepaalde mondstanden die aan de periodieke stembandtrillingen de zogeheten formanten toevoegen. Deze hebben huneigen, gelimiteerd frequentiebereik. Dit heeft ondermeer tot gevolg dat sopranen op zeer hoge tonen geen oe- of o-klank meer kunnen vormen.
Bij zangstemvorming is een juiste en gecontroleerde werking van de larynx (strottenhoofd) van bijzonder belang. In normale omstandigheden beweegt de larynx zich verticaal. Bij de opwaartse beweging die elke ademhaling begeleidt, nadert hij de pharynx (keel, keelholte). De schildvormige spier rekt zich uit en de larynx verandert van vorm. Hierdoor verkorten de stembanden zich en wordt hun functie beperkt. Tegelijkertijd verheft de tongbasis zich naar het zachte verhemelte toe, waardoor het keelgat wordt afgesloten. Bij de neerwaartse beweging van de larynx rekt hij zich uit, wat een verlenging van de stembanden en de glottis tot gevolg heeft. Tegelijkertijd met de larynx gaat de tongbasis naar beneden en verwijden de pharynx en het keelgat zich. Bij het zingen dient de stand van de larynx te zijn als die bij het gapen. Op die manier heeft de luchtstroom beter contact met de stembanden, zodat hij ongehinderd de resonatoren kan bereiken. De spreekpositie van de larynx is voor het zingen niet aan te bevelen, omdat daarbij de klank aan volume, kracht en schoonheid verliest. De moeilijkheid om een perfecte zangtechniek te verkrijgen, ligt hierin dat de zanger, uitgaande van onbewuste stemvormingsreflexen, nieuwe, bewuste vocale reflexen moet aanleren, die daarna weer tot een gewoonte moeten worden.


wpeE.jpg (19559 bytes)
Figuur 11 Actie vocaal spieren 1 abductie stemplooien
wpeF.jpg (19922 bytes)
Figuur 12 Actie 2 adductie stemplooien
wpe10.jpg (19828 bytes)
Figuur 13 Actie vocaal spieren 3 adductie stemplooien

wpe11.jpg (24349 bytes)
Figuur 14 Actie vocaal spieren 4 inspanning stemplooien
wpe12.jpg (25002 bytes)
Figuur 15 Actie vocaal spieren 5 ontspanning stemplooien

Houding, ademhaling en klankvorming

Vele handboeken zijn geschreven, maar toch blijft een zangpedagoog de beste referentie. Wie goed wil leren zingen heeft de hulp van de zangpedagoog nodig. Hij begeleidt de zoektocht, luistert kritisch, stuurt waar nodig bij, controleert de techniek, de kleur, de zuiverheid en de vrijheid van toon, voelt mee, stimuleert, enthousiasmeert en begeestert. Hier beperken we ons bewust tot de belangrijkste praktische raadgevingen in een vatbare taal.
Schenk altijd aandacht aan een goede houding. Zingen doe je met je hele lichaam. Velerlei spiergroepen zijn erbij betrokken. In principe kan men in alle houdingen zingen. Maar omdat zingen een activiteit is, waarbij alle spiergroepen optimaal moeten kunnen functioneren, heeft het staan de voorkeur. Met de benen iets uit elkaar, licht voorover hellend en de knieën niet op slot, maar iets gebogen, heeft het hele lichaam goed contact met de grond. Men voelt letterlijk en figuurlijk grond onder de voeten. Houdt het hoofd ontspannen rechtop en de schouders laag. Maak als het kan gebruik van een pupiter om de muziek op te leggen en stel de hoogte zo in dat het hoofd rechtop kan blijven als u zingt. Maar ook het zitten heeft een niet onaanzienlijk voordeel. Men wordt minder snel vermoeid. Zit altijd rechtop, dus niet met een ingezakte houding. Zit zo ver mogelijk naar voren. De eigen ruggengraat dient als steun, dus niet de stoelleuning. Zet ook tijdens het zitten de voeten iets uit elkaar voor een goede balans. Houdt de muziek zodanig vast dat het hoofd rechtop kan blijven of maak gebruik van een pupiter. Gebruik bij voorkeur een stoel zonder armleuningen. Zorg voor voldoende ruimte om u heen.
Schenk altijd aandacht aan een goede ademtechniek (costo-abdominaal met flankademhaling). Een goede oefening voor de ademhaling is de volgende: plaats beide handen in de flanken met de duimen in de richting van de wervelkolom en laat de schouders afhangen. Tracht een ingebeelde aangename geur diep op te snuiven en de ademhaling naar de flanken te richten. Tracht af en toe door de mond in te ademen om de open stand van de stembanden en ook de ontspanning van de huig te verzekeren. Onbewust plaatst men de huig (zacht verhemelte) vaak te veel naar achteren, waardoor de toegang tot de neusholten en de hoge resonantieruimten afgesloten wordt, of te veel naar voren, waardoor de mondholte helemaal of gedeeltelijk onbereikbaar wordt voor de ademstroom. Geruisvol ademhalen door de mond moet worden vermeden, omdat daardoor de stembanden kunnen uitdrogen. Ook tijdens de uitademing moeten de flanken ruim blijven en mogen ze geenszins invallen. Men controleert de flanken steeds weer met beide handen en vergewist zich ervan dat de schouders niet opgetrokken worden. Men zal ervaren dat de borstkas niet inzakt wanneer men gesteund ademt, wat de klankvorming ten zeerste ten goede komt. Snel en geruisloos inademen is eveneens geen probleem meer. Opgepast voor de slechte gevolgen van overmatige inademing. Het is beter een keer extra in te ademen (bij te tanken), dan de longen geheel met lucht te vullen. Vermijdt die inademing waarbij alleen de longtoppen worden gevuld en de schouders mee omhoog gaan. Adem altijd in op een plaats, dat aan het eind van een muzikale zin nog voldoende adem overblijft, aangezien anders detonatie en vervorming van de toonkwaliteit kunnen optreden en er een geruisvolle inademing nodig is. Leg bij het instuderen van nieuwe muziek de plaatsen van de inademing vast door bijvoorbeeld komma's in het notenschrift te plaatsen. Om een goed gesteunde dragende en kleurrijke klank te bekomen is er geen zeer grote hoeveelheid lucht nodig en mag er volstrekt geen druk zijn. Vermijdt het persen van de

ademstroom door het strottenhoofd om een zo groot mogelijke toon te maken. Bij het voortbrengen van vooral lage tonen kan dit de stembanden blijvend beschadigen. De ontspanning van het strottenhoofd kan gecontroleerd worden door na het inademen, het hoofd lenig naar links en rechts te draaien. Het beheersen van de zangademhaling geeft de zanger een gevoel van zekerheid en waarborgt een stabiele en stevige toonvorming.
Vaak zijn zinnen in koorwerken langer dan de lengte van eenzelfde uitademing. Om verkeerde cesuren te vermijden, ademt elk koorlid op een andere plaats en voegt zijn stem weer ongemerkt bij het geheel, waardoor voor de luisteraar de indruk ontstaat van een steeds rustig voortvloeiende klankstroom. Dat wil zeggen dat men iets zachter moet beginnen zingen dan de op dat moment bereikte dynamiek. Het inademen moet frequenter gebeuren en geruisloos en op het moment dat men voelt dat de luchtvoorraad begint op te raken. Er mag niet ingeademd worden voor een sterk metrisch zwaartepunt en een maatstreep, maar wel in het midden van lange noten, woorden en muzikale frasen. Vocalisen vereisen een snelle wisseling van toonhoogte van vele op elkaar volgende noten. Deze stemtechnische vaardigheid moet men regelmatig oefenen en daarbij bijzonder goed opletten dat de vocaalklank steeds dezelfde blijft. Vocalisen kunnen in legato, staccato of gemengd uitgevoerd worden. Storend en remmend werkt de permanent voorgeschakelde "h" klank. Mits training kan elk gesteund en drukloos zingend koor vocaliseren op alle klinkers zonder dit weinig mooie lapmiddel te gebruiken.
Schenk altijd aandacht aan de klankvorming in het aanzetstuk. Hoe ruimer deze klankkast is, hoe beter, echter zonder spanning en zonder overdreven opentrekken van de mond. De onderkaak beweegt steeds soepel. Bij het vormen van open klinkers en lipmedeklinkers valt de mond vanzelf open. De klankvorming wordt optimaal, wanneer de mondholte wordt verruimd, de keelholte niet vernauwd is, de tong ontspannen op de mondbodem rust met haar punt tegen de onderste snijtanden en de klank bewust boogvormig langs de ronding van het harde gehemelte wordt gevoerd naar het voorste gedeelte, juist boven de snijtanden. Van belang is dat men zonder ademdruk en zonder fixatie van het hoofd ontspannen zingt. Daarbij zal het lichte zingen in lichte geeuwstand met aandacht voor een warme klankkleur in hoge mate tot een goede toonplaatsing bijdragen. Door licht geeuwend te zingen, wordt een lage stand van het strottenhoofd bevorderd en wordt het aanzetstuk enigszins verlengd en vergroot. Deze beïnvloeding van het aanzetstuk doet met name de intensiteit van de eerste en tweede boventoon toenemen, waardoor de klank meer draagkracht krijgt. De plaats van de tong, de stand van de mond en actieve wang- en lipspieren zijn eveneens van invloed op de ruimte van het aanzetstuk en dus van invloed op het resoneren van de klank. Men moet leren de luchtstroom altijd op één en dezelfde plaats te richten, met name op het harde verhemelte in het voorste gedeelte van de mondholte, precies boven de voortanden van de bovenkaak. Wordt de klank eerder op het zacht verhemelte gericht, dan verliest deze aan glans en kracht, omdat ook hier de resonantieruimten worden afgesloten. De luchtstroom moet bij het passeren van de larynx naar het harde verhemelte 1 vloeiende lijn vormen, waarbij men het gevoel heeft dat de toon reeds bij het ontstaan in de resonatoren klinkt. Het tegengestelde gevoel, waarbij de stem eerst in de stembanden klinkt en daarna pas naar de resonatoren gaat, leidt tot een klankproductie met een slechte stem-inzet, waarbij het lijkt alsof de toon van onderaf wordt bereikt (glissando).

Het aanzetten van de toon is dat moment bij de klankvorming dat het begin daarvan fixeert. Afhankelijk van de manier van uitstoten van de luchtstroom is de inzet hard of zacht. Een harde inzet is die waarbij de luchtstroom naar de hoofdresonatoren ontstaat door het samentrekken en ontspannen van de larynxspieren en een zachte inzet is die waarbij de aanzet van het diafragma uitgaat. Beide komen voor, maar de zachte is het meest natuurlijke, omdat bij de harde aanzet het gevaar bestaat dat de stemorganen beschadigd worden. Het aanzetten op klinkers gaat dikwijls gepaard met de zogenaamde glottisslag. De oorzaak hiervan is het plots openspringen van de stembanden door het aandrukken van de uit te ademen lucht tegen de gesloten stembanden die een te sterke weerstand bieden. Daardoor klinkt een explosief bijgeluid. Deze glottisslag dient altijd vermeden te worden, niet alleen om het esthetische aspect, maar vooral omwille van zijn schadelijke gevolgen voor het stemapparaat. Wanneer de inademing gepaard gaat met een gelijktijdige vorming van een goede ademsteun, blijven de stembanden geopend en vermijdt men de glottisslag. De vocalen zullen met minder moeite worden aangezet als hun verklanking vooruitgedacht en vooruitgevoeld wordt. Het wordt afgeraden een "h" voor de vocaal uit te spreken, omdat dit de stemspleet vernauwt en dus meer kans geeft op sluiten en glottisslag.
Het zich eigen maken van een fraaie klank en egale toonvorming in het koor is en voortdurend en moeilijk psychofysisch proces. Het berust op de fysiologische functie van het stemorgaan en de juiste zangademhaling. Een bijzonder goed middel om de toonvorming en de registerwerking te ervaren is het neuriën. In tegenstelling met het echte zingen, waarbij de klank voor het grootste gedeelte uitstroomt door de mond, gaat de gezoemde toon door de neus naar buiten. Men kan neuriën op "m", "n" en "ng". De klank van "m" is gebaseerd op het borstregister. Men ontspant de keelholte, laat de onderkaak los hangen en maakt de mondholte ruim. De lippen liggen zonder spanning tegen elkaar, de tanden van elkaar. De toon wordt boogvormig langs het harde verhemelte naar voren gebracht zonder overmatige druk op de stembanden. De "ng" klank wordt het best met open mond geneuried. Hij is gebaseerd op het kopregister. De toegang tot de mondholte is afgesloten door de "g". De klank wordt boogvormig langs het schedeldak gevoerd. De "n" verbindt beide registers. Hij wordt het best geneuried met halfopen mond. Aanzetten steeds zonder druk en zonder voorafgaande "h".
Om vele jaren te kunnen zingen is onderhoud en hygiëne van de stemvormende organen noodzakelijk. Iedere verkoudheid leidt tot ontsteking van het slijmvlies. Op zijn beurt gaat dat gepaard met de vernauwing van de bloedvaten, wat weer de normale bloedvoorziening belemmert. Daardoor wordt de stem grof, er ontstaan bijgeluiden en het vocaliseren gaat moeizaam. Daarom moet men met een zieke keel niet zingen. Ook onjuiste stemplaatsing, het veronachtzamen van normale regelmaat van werk, rust en voeding en systeemloosheid in vocale training kunnen tot beschadiging van de stemorganen leiden. Om aandoeningen aan de stemvormende organen te vermijden, is het raadzaam na het zingen, wanneer de keel nog warm is, niet dadelijk koude lucht in te ademen, niet koud te eten of te drinken. Men mag ook pas beginnen zingen, wanneer men zich aan de temperatuur van de pas betreden ruimte heeft aangepast. Zing licht en nooit geforceerd.


  • Zing licht geeuwend, zodanig dat de klank voorin blijft en niet kelig wordt.
  • Vermijdt kale klinkers, door ze anders te kleuren. Een aa een beetje kleuren naar à; een è een beetje kleuren naar eu; een ie een beetje kleuren naar uu.
  • Zing zoveel mogelijk met ronde mond (met een denkbeeldig elastiekje tussen de mondhoeken), tenzij bij bepaalde klinkers de klankvorming nadelig wordt beïnvloed. Niettemin kunnen in principe alle klinkers met ronde mond gevormd worden.
  • Zing met losse kaak. Dus zonder fixatie van boven- en onderkaak, met de tanden uit elkaar.
  • Warm de stem altijd op met enkele eenvoudige inzingoefeningen.
  • Verken niet steeds het uiterste, zowel dynamisch als in hoogte of laagte. Zing niet buiten je stembereik
  • Geef de stem rust, wanneer klachten ontstaan in de vorm van heesheid, een onaangenaam kriebelig gevoel of keelpijn. Beter twee keer een half uur zingen, dan een uur of meer achtereen. Neem de nodige rust in acht bij keelontsteking en/of verkoudheid.
  • Leer kritisch te zijn op zuiverheid en klankkleur.
  • Raak nooit ontmoedigd als niet meteen wil lukken wat u wilt. Negatieve gevoelens hebben meestal een ongunstige invloed op de stem. Laat het probleem even met rust en zing even iets anders.
  • Bedenk dat bij zingen intensieve, dagelijkse oefening vaak op den duur pas leidt tot kunst, maar vooral dat het geen kunst hoeft te zijn het dagelijkse zingen tot een aangename bezigheid te maken.
  • Rook niet, mijdt alcohol en ijskoude dranken
  • Mijdt airconditioning in de uren voor een uitvoering of repetitie

De oorzaak van onzuiver zingen ligt ofwel bij een tekort of een teveel aan ademsteun of verkeerde klankplaatsing. Regelmatige ademhalings- en stemoefeningen brengen vlug verbetering mee. Indienmen te maken heeft met gehoorfouten of beschadigde stemwerktuigen moet je naar een arts gaan.

Terug naar boven

Het mechanisme van de klank is de basis van de vocaalvorming (klinkers). Een juiste vocaalvorming is dus ondenkbaar zonder een juiste klankvorming. Daarom bestaan er ondanks de specifieke trekken die de vorming van iedere vocaal kenmerken, 2 gemeenschappelijke wetten waaraan ze onderworpen is, namelijk: de luchtstroom moet gericht zijn op de resonatoren en de kwaliteit van de verschillende vocalen is afhankelijk van de vorm en de stand van mondholte, tong en lippen. Bij de vocaalvorming gaat het er om dat alle zangers de verschillende klinkers op dezelfde manier zingen. Zingen kunnen we immers uitsluitend op klinkers, tweeklanken en enkele stemhebbende medeklinkers. De medeklinkers dienen bij het zingen vooral als verbinding tussen de klinkers en om ze tot woorden te vormen. Daarom is een belangrijke regel bij het zingen de klinkers zo lang mogelijk aan te houden en de medeklinkers korter. Tot de klinkers behoren: aa, à, oo, ò, ee, è, ie, i, uu, ù. Met tweeklanken of diftongen bedoelen we: oe, eu, ui, en ij. Enkele stemhebbende medeklinkers zijn: m en n, de zogenaamde neurieklanken. De overige medeklinkers behoren voornamelijk tot de plof- en sisklanken, waarmee we in combinatie met de stemhebbende klinkers en tweeklanken verstaanbare taal kunnen uiten. Bij een opeenhoping van medeklinkers (br, kl, str, spl, ...) dienen alle medeklinkers goed gearticuleerd te worden. Ook in het midden en op het einde van woorden dienen alle medeklinkers goed gearticuleerd te worden. Zeer belangrijk zijn de uitspraak en synchronisatie der eindmedeklinkers, waarbij e scherpte van de uitspraak in functie moet staan van de algemene sfeer.
Elke klinker kan op verschillende manieren worden gevormd. Zo kunnen we bijvoorbeeld een ee op verschillende manieren kleuren. Deze kleurverschillen bestaan ook in de spreektaal. Zo klinkt de ee in zee anders dan de ee in meer. Bij het zingen maken we net als een schilder gebruik van een palet om klinkers en tweeklanken zodanig kleur te geven dat ze warm, rond en aangenaam klinken zonder daarbij afbreuk te doen aan de eigenheid van ieders stem. Sommige zangers hebben van nature al veel in huis. Het is dan vaak een kwestie van bijschaven en het natuurlijk technische vermogen te implanteren in het te zingen werk. Voor anderen is het een veel langere zoektocht om zich op den duur een bepaalde manier van zingen en kleuren eigen te maken. Daarbij komen ook karaktereigenschappen als doorzettingsvermogen, geduld, kritisch vermogen en inzet om de hoek kijken. Ook wanneer oefeningen op notennamen worden gezongen, moet er aandacht geschonken worden aan de juiste vocalisatie en articulatie.

wpe5.jpg (24185 bytes)
Figuur 16 Medeklinkers

Het is aan te bevelen bij het oefenen met die vocaal te beginnen die je het beste ligt. Bij de vrouwenstemmen is de ie de meest geschikte klinker om te oefenen en voor de mannenstemmen de oo of de aa. Bij het zingen van de ie wordt de luchtstroom het makkelijkst op de juiste manier naar de resonatoren geleid. De liphoeken moeten bijeengehouden worden en niet naar buiten getrokken, zodat de klank gebundeld blijft. Om samentrekking van het stemapparaat te voorkomen, moet de mondholte de vorm van een trechter aannemen en de tong dichtbij de losse onderkaak worden gebracht. De tanden mogen niet op elkaar om te voorkomen dat bij het passeren van de toon een fluittoon ontstaat. Bij het zingen van hoge tonen en bij een stijgende toonreeks moet men de trechter wijder maken. Bij het vormen van de oo moeten de lippen goed rond zijn en een klein beetje getuit. De onderkaak moet los naar beneden hangen en niet vooruitgestoken of ingetrokken. Hierdoor wordt namelijk het geleiden van de klank in de resonatoren bemoeilijkt en ontstaat er een spanning op de spieren. Bij het vormen van lage tonen en een dalende toonreeks moet men er op letten dat de ronding van de lippen groter is om zo een overgang naar de aa te vermijden. Bij het vormen van de aa bestaat er een reëel gevaar dat de klank kelig, gespannen en open wordt. Daarbij speelt de ligging van de tong, waarvan de basis ontspannen naar beneden wordt gehouden moet worden zonder de huig te raken, een essentiële rol. Ook is het goed reeds bij het inademen de keel in een stand als bij het geeuwen te brengen om zodoende de slokdarm te ontspannen. Daarna stuwen we de luchtstroom hoog in de koepel vooruit en naar boven. Het ovaal van de mondopening moet verticaal gevormd zijn en niet horizontaal. Bij het zingen van een dalende toonladder en lagere tonen moet de aa worden afgerond naar de oo om een verwisseling met de u te vermijden. Wanneer de aa in een ongeaccentueerde lettergreep staat, moet de mondopening kleiner zijn en de kleur donkerder. Bij het vormen van de ee is het noodzakelijk de hoeken van de lippen opeen te houden en de lippen rond als bij de oo.
De tong moet dicht bij de onderkaak gehouden worden gehouden. Bij een stijgende toonreeks en bij tonen in het hoge register moet de mondholte in de stand van de aa staan om een samentrekking van het stemapparaat te voorkomen. Bij de oe moet de mondholte ruim zijn en de tong zonder enige spanning naar beneden worden gehouden, vooral aan de basis. Het geleiden van de klank in de resonatoren moet zorgvuldig gebeuren om te voorkomen dat de vocaal nasaal wordt. Daarom moet de lippenring niet gespannen worden, maar los vooruit gestoken. Door een natuurlijke vernauwing van de mondholte bij het uitvoeren van de oe, heeft deze niet de kracht en glans van de andere vocalen met uitzondering van de korte u. Daarom moet de beheersing van deze klank niet gezocht worden in een egalisering met die andere klinkers, omdat anders de juiste zangpositie door spanning verandert wordt. De beheersing van de korte u mag in geen geval verwaarloosd worden. Omdat dit de moeilijkste vocaal is, moet men er pas mee gaan oefenen als men de overige vocalen en vooral de aa geheel beheerst. De korte u ontstaat als we de mond in een stand brengen als bij een lichte geeuw en een beetje minder open dan bij de a. Het kleine verschil in de stand van de mondholte bij het vormen van de kort u en de a moet precies afgebakend zijn, opdat ze hun eigen karakter niet verliezen. Anders bestaat het gevaar dat de u kelig gaat klinken. Best worden oefeningen voorzien, waarin de afzonderlijke vocalen achtereenvolgens worden behandeld. Bijzonder nuttig zijn die oefeningen die de vocalen combineren met verschillende medeklinkers, zoals dat in de praktijk voorkomt. Het meest geschikt zijn de medeklinkers m, n, p en d.
Bij onervaren zangers bestaat er een reëel gevaar dat bij een zwakke dynamiek de spanning van het middenrif verslapt, waardoor de vocaal zwak wordt en slecht zal klinken in het masker. Omgekeerd wordt bij het zingen met een sterke dynamiek het stemapparaat dikwijls geforceerd, waardoor beschadigingen kunnen ontstaan. Men moet trachten de zwakke dynamiek zonder verslapping van de ademsteun en stemspanning uit te voeren en de sterke dynamiek met zo min mogelijk stemspanning. De uitvoering van de dynamische overgangen crescendo en decrescendo is het moeilijkst. Hiervoor wordt van de zangers een grondige beheersing van de vocale techniek gevraagd, want men moet met behulp van de ademhaling bij de overgang van de ene dynamiek naar de andere de juiste positie van de vocaal bewaren. Deze vaardigheid staat bekend als "filare il suono".
De koorleden moeten niet alleen een juiste, maar ook een uniforme klank produceren om zo de individuele verschillen in stemmen tot op zekere hoogte te egaliseren. Hierdoor wordt een goed ensemble verkregen met een duidelijke intonatie, een grotere verstaanbaarheid en een rijke nuancering in timbre. Hoe goed de overige elementen van koorzang ook worden beheerst (frasering, dictie, dynamiek, intonatie, ...), als zij niet vergezeld gaan van de noodzakelijke vocale dekking, verliest de uitvoering aan glans en inhoudt. Behalve dat wordt door de beheersing van de juiste klankproductie en vocaalvorming het zingen gemakkelijker en plezieriger en de zangers kunnen hun stem makkelijker conserveren.

Bron: Universitair Koor Antwerpen